Max Ernst wreef houtnerven over op papier

Max Ernst wreef houtnerven over op papier, een techniek die hij frottage noemde. Met grafiet, krijt of houtskool kraste hij over papier dat op ruwe vloerplanken of boomstammen lag. De tekening van de houtnerf gebruikte hij als uitgangspunt voor het creëren van surrealistische voorstellingen en landschappen.

Max Ernst wreef houtnerven over op papier en zag er een graslandschap in Zuid-Amerika in, Les Pampas.

Max Ernst (1991-1976) is zeker geen houtsnijder, maar de tekening van het hout inspireerde hem wel tot het maken van baanbrekende kunst. Hij zag deze manier van werken als een manier om het onderbewuste te onthullen. Het is om die reden dat ik Ernst interessant vind voor deze website en zeker ook als verwijzing naar Dendroism. Ook veel eerder, voor andere surrealisten zoals Jean Arp, was Ernst een inspiratiebron. 

De ontdekking van frottage (Het Franse woord voor wrijven) in 1925 markeert een keerpunt in het oeuvre van Max Ernst. Tijdens een verblijf in een herberg aan zee raakte hij gefascineerd door de versleten houten vloer. De nerven, krassen en onregelmatigheden vormden een onuitputtelijke bron van beelden. Door het papier direct op het hout te leggen en erover te wrijven, legde Ernst deze gebruiksgeschiedenis vast.

Onderbewuste zichtbaar

Deze houding sluit nauw aan bij de uitgangspunten van het surrealisme, waarin het toeval, het onderbewuste en de droomwereld een centrale rol spelen. Toch is Ernsts methode bijzonder: hij verzint de beelden niet, hij ‘ontdekt’ ze. De houtnerf is geen achtergrond, maar een actieve medespeler. In die zin is het hout geen materiaal meer, maar een visuele geheugenbank waarin landschappen, wezens en structuren in verborgen liggen.

Binnen de uitgangspunten van Dendroism — waarin de vorm van de boom of de tekening van het hout de basis vormt voor het kunstwerk — is Max Ernst een vroege inspiratiebron. Hij werkt niet met hout als sculpturaal materiaal, maar met hout als oorsprong van beeld. De nerven, knoesten en groeirichtingen worden gelezen alsof het fossielen van beelden zijn. Wat Ernst doet, is kijken totdat het hout terugkijkt.

Max Ernst wreef houtnerven over op papier, maar ook bladeren en schelpen.

In werken uit de portfolio Histoire naturelle (1925–1926, oplage 300 stuks), ook in het bezit van museum Boymans van Beuningen, wordt dit principe consequent doorgevoerd. Bossen veranderen in architectuur, boomstructuren worden landschappen, nerven worden veren, schubben of huid. Het zijn geen illustraties van bomen meer, maar beelden die uit het hout voortkomen. Daarmee verschuift de rol van de kunstenaar: niet de maker, maar de ontvanger en vertaler staat centraal.

Van frottage naar grattage

De frottage bleef niet beperkt tot tekeningen. Ernst vertaalde de gevonden structuren naar schilderijen via grattage, waarbij hij verf over een gestructureerde ondergrond schraapte. Ernst plaatste een doek over een textuur, schraapte het oppervlak, en liet de onderliggende structuren — soms ook van hout — verschijnen als uitganspunt voor zijn verbeelding. Zo ontstonden zijn beroemde boslandschappen en steden uit de jaren dertig, waarin boomachtige vormen oprijzen als levende architectuur. Deze bossen zijn geen idyllische natuurbeelden, maar dichte, soms dreigende ruimtes, waarin groei en verstarring samenvallen.

Ook hier blijft hout — zij het indirect — aanwezig als vormgevend principe. De schilderijen zijn opgebouwd als verdichte houtstructuren: lagen, nerven, verticale spanningen. 

Chess, een van de weinige in hout zelf uitgevoerde werken van Max Ernst.

Hoewel Max Ernst vooral bekend staat als schilder en graficus, maakte hij ook sculpturen en objecten. Maar zelden zijn deze van hout uitgevoerd; meestal werkte hij in gips en in brons. Toch dragen ook deze beelden een duidelijke verwantschap met natuurlijke, vaak boomachtige vormen. Zijn totem-achtige figuren, hybriden van mens, dier en plant, lijken te zijn gegroeid in plaats van gemaakt.

Het groot uitgevoerde schaakspel dat Ernst in de jaren veertig ontwierp, maakte hij wèl uit hout. De stukken zijn archetypisch, bijna ritueel van aard. Ze verwijzen eerder naar mythische figuren dan naar klassieke schaakstukken als Koningin of Toren. Hoe beroemd ook, mij spreken deze schaakstukken niet erg aan. Het verhaal van het hout zelf is verdwenen.

Hout als co-creator

Max Ernst leerde kunstenaars anders kijken: niet naar wat zij wilden maken, maar naar wat het materiaal zelf al bevatte. In die zin is zijn frottage niet alleen een techniek, maar een houding. Een houding die het hout serieus neemt als co-creator. Precies daar raakt zijn werk aan de kern van het Dendroism.

Jan Bom, 14 januari 2026