Gauguin liep de Bisj-palen mis

Gauguin liep de Bisj-palen mis. Op zoek naar authentiek houtsnijwerk in Polynesië, had hij beter niet naar Tahiti kunnen afreizen , maar naar Papua-Nieuw-Guinea. In deze voormalige Nederlandse kolonie was de cultuur om Bisj-palen te snijden voor overleden stamgenoten rond 1890 nog springlevend.

Gauguin liep de Bisj-palen mis; dit exemplaar staat nu in Parijs, in het Musée du Quai Branly.

Toen de Franse schilder Paul Gauguin in 1890 naar Tahiti afreisde, deed hij dat uit verlangen naar oorsprong. Hij zocht een kunst die niet besmet was door academische regels, perspectief en rationaliteit. Zijn ideaal: een kunst die nog verbonden was met mythe, lichaam en natuur. Ik schreef daarover in de boekbespreking van de biografie Wild Thing, over het leven van Gauguin. Hout als drager voor zijn kunst speelde in zijn zoektocht een belangrijke rol.

Gauguin ontdekte tot zijn grote teleurstelling dat de houtsnijtraditie in de verre Franse kolonies grotendeels al was verdwenen. De kolonisator en de rooms-katholieke kerk hadden de beelden van de ‘afgoden’ uit de Stille Zuidzee al vernietigd of verboden. Gauguin besloot daarop de traditie nieuw leven in te blazen. Hij verwerkte Polynesische motieven in zijn eigen houtsnijwerk. 

Gauguin zocht authentieke traditie

In Parijs geëxposeerd zorgden ze voor een sensatie. Zijn direct in het hout gesneden (direct carving) beelden waren eclectisch en persoonlijk: een mengsel van Polynesische ornamentiek met Europese traditie. Visionair — maar geen voortzetting van een levende houttraditie.

Juist daar wordt het verschil met Papua-Nieuw-Guinea duidelijk. In het zuidwesten van het eiland, bij hetAsmat-volk, bestond rond 1890 nog steeds een ononderbroken en vitale traditie van monumentale houtsnijkunst. De beroemde bisj-palen waren geen decoratieve objecten, maar rituele ornamenten voor een toen nog levende cultuur van ‘koppensnellers’. 

De top van een Bisj-paal, met seksueel expliciete afbeeldingen van voorouders.

Bisj-palen werden gesneden ter ere van overleden stamleden. Ze werden ingezet bij uitgebreide rouw- en herdenkingsrituelen. Ze zijn genoemd naar het ritueel waarvan zij het middelpunt vormen, de bisj. Dit ritueel heeft te maken met de cyclus van het leven en de dood en – in vroeger tijden – met kannibalisme en wraakacties op andere dorpen. Elke dood verstoorde volgens het Asmat-wereldbeeld de kosmische balans. Het snijden van een bisj-paal hielp dat evenwicht te herstellen.

Een Asmat-koppensneller biedt een bundel mensenschedels aan, tijdens de tweede Zuid-Nieuw Guinea Expeditie in 1909-1910.

De palen werden uit één boomstam gehakt; uit de geurige wilde nootmuskaatboom. Bijzonder was dat één dikke wortelzijde naar boven werd gericht, waardoor ze de stam ‘omgekeerd’ bewerkten. In het hout sneden ze gestapelde menselijke figuren uit, die specifieke voorouders verbeeldden. Oudere generaties bevonden zich lager, recent overleden dierbaren hoger. Bovenaan bevond zich vaak een opengewerkte uitloper in de stam — de cemen — die verwees naar vruchtbaarheid, kracht en voortzetting van leven. Deze cemen zou ook door Freud als een duidelijk fallussymbool getypeerd worden.

Bedoeld om te verrotten

Het snijwerk is ritmisch, direct en compromisloos: geen perspectief, geen anatomische correctie, maar betekenis in herhaling en gebaar.

Bijzonder is dat bisj-palen niet bedoeld waren om voor altijd te blijven bestaan. Na afloop van de rituelen werden ze in het moerassige sago-bos geplaatst, waar ze verrotten. Hun ontbinding voedde symbolisch én letterlijk de aarde; voeding voor sagopalm, wat het basisvoedsel voor de bevolking is. Hout was voor de bevolking geen autonoom kunstmateriaal, maar een tijdelijke drager van herinnering, schuld, wraak en verzoening.

De Asmat in hun oorlogsprauwen, een foto uit 1955 van het Wereldmuseum Amsterdam.

Had Gauguin dit gezien, dan had hij gevonden waar hij naar op zoek was: hout als geheugen, vorm als ritueel, kunst als sociale handeling. De verticale stapeling van figuren, de versmelting van leven en dood, de nadruk op seksualiteit en voortplanting — het zijn precies de thema’s die Gauguin zocht en obsessief verbeeldde (en zelfs doorleefde), maar niet meer als levende beeldcultuur aantrof in Frans-Polynesië.

Hoewel wonend in een zeer ontoegankelijk moerasgebied, volkomen onbekend waren de Asmat Papoea’s ook weer niet. De eerste westerling die de Asmat-mensen zag, was de Nederlandse ontdekkingsreiziger Carstenz, in 1623 in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.). Later, in 1770, ging de beroemde kapitein James Cook op praktisch dezelfde plek aan land: het huidige Cooks Bay. Blijvend contact met Europeanen ontstond pas in 1953, toen de Nederlandse pater Zegwaard een missiepost in het dorp Agats stichtte.

Een van de Bisj-palen in de uitgebreide collectie in het Wereldmuseum in Amsterdam.

Dat de grootste collectie bisj-palen ter wereld (60!) nu in Nederlandse musea te zien zijn — in het Wereldmuseum Amsterdam, Rotterdam en Leiden— is te danken aan de koloniale geschiedenis van Nederlands-Nieuw-Guinea. Ik zag in Amsterdam een reeks prachtige exemplaren, meestal ouder ook dan wat Michael Rockefeller verzamelde en nu in het Metropolitan Museum in New York te zien is. Nederlandse verzamelaars waren de in de jaren ’80 spoorloos verdwenen Amerikaan net voor. De oudste paal werd in 1923 door onderzoeker Paul Wirtz meegenomen. Vanaf 1954 verwierven Nederlandse musea minstens vijftig bisj-palen. Vaak deden ze dit vanuit de angst dat deze oude cultuur zou verdwijnen, of sterk veranderen. En terecht, zo blijkt uit een reportage in The Guardian.

Het Wereldmuseum Amsterdam bracht een boek uit, waarin de gezamenlijke Nederlandse collectie Bisj-palen centraal staat: ‘Een woud van magische beelden’, door Pauline van der Zee. Het is zowel nieuw, als bij tweedehands boekwinkels als De Slegte nog goed verkrijgbaar. Ik vond een mooi exemplaar bij een ander tweedehands boekwinkeltje. (De twee zwart-foto’s van Asmat zijn overgenomen uit dit boek).

Ook Makonde sneden familiegeschiedenis

Interessante voetnoot tenslotte: in Tanzania en Mozambique sneed ook een ander volk, de Makonde, beelden die familiegeschiedenissen vastlegden. Ik schreef eerder over deze Tree of Life-beelden in een overzicht dat ik de top 10 van de Afrikaanse houtsnijkunst noemde. 

Maar van wederzijdse inspiratie tussen de makers van de Bisj-palen en de Makonde kan geen sprake zijn geweest. Er zijn geen historische gegevens die spreken van handel, migratie of rituele uitwisseling tussen deze ver van elkaar afgelegen gebieden. Beide culturen ontwikkelden hun houtsnijtradities onafhankelijk van elkaar, binnen hun eigen sociale en rituele context.

Jan Bom, 8 februari 2026