Unkei liep eeuwen vooruit

Unkei (ca. 1150–1223) liep eeuwen vooruit op de Europese houtsnijders. De Japanse beeldhouwer introduceerde als allereerste expressie in de gezichten van zijn beelden. Ook werkte hij al onder zijn eigen naam, terwijl de Europese makers van Christus- en Mariabeelden hun werk in dezelfde tijd nog anoniem afleverden.

Unkei liep eeuwen vooruit met de expressieve uitdrukking op het gezicht van de priester Muchaku.

Unkei behoort tot de uitzonderlijke kunstenaars uit de middeleeuwen van wie niet alleen het werk, maar ook de naam bewaard is gebleven. Hij leefde en werkte in een tijd van politieke instabiliteit en maatschappelijke verandering. De macht in Japan verschoof van het keizerlijk hof naar de militaire klasse van de samoerai. In deze context ontwikkelde Unkei een beeldtaal met de nadruk op fysieke aanwezigheid, emotionele intensiteit en een opvallend gevoel voor individualiteit.

Ten tijde van de Samoerai

Hij werd geboren rond het midden van de twaalfde eeuw als zoon van een vooraanstaand beeldhouwer. Dit atelier speelde een centrale rol in de restauratie van tempels en beelden na de verwoestingen van oorlogen. Binnen deze werkplaats leerde Unkei het ambacht van de boeddhistische houtsculptuur, maar hij zou al snel een eigen signatuur ontwikkelen. 

Zijn vroegst gedateerde werk, een zittende Dainichi Nyorai uit 1176 in de tempel Enjō-ji, toont nog de formele rust van de traditie van toen. Toch is in het beeld al de belangstelling van Unkei voor innerlijke concentratie aanwezig.

Restauratie van een van de Niõ-bewakers, een meer dan acht meter hoog houten beeld van Unkei.

In de eerste decennia van de dertiende eeuw bereikt Unkei zijn volle rijpheid. Zijn monumentale beelden zijn niet langer tijdloze iconen, maar lijken te ademen, gespannen te reageren. De beroemde Niō-bewakers bij de Grote Zuidpoort van Tōdai-ji in Nara, gerealiseerd in 1203, zijn daarvan het meest indrukwekkende voorbeeld. Deze houten figuren, meer dan acht meter hoog, tonen gespannen spieren, verwrongen gezichten en een fysieke kracht die de bezoeker direct confronteert. Het heilige wordt hier niet verheven door afstand, maar door nabijheid. De houten beelden van ruim achthonderd jaar oud zijn niet lang geleden, in 1989, nog gerestaureerd.

Boeddhistische patriarchen

Misschien nog radicaler zijn Unkei’s portretachtige beelden van boeddhistische patriarchen, zoals Muchaku en Seshin in Kōfuku-ji. Hier is geen sprake meer van abstracte heiligheid, maar van individuen met een herkenbare leeftijd, gelaatsuitdrukking en innerlijk leven. Rimpels, ingevallen wangen en een doordringende blik suggereren ervaring en geestelijke diepte. Unkei was duidelijk geïnteresseerd in de mens achter het religieuze ideaal. Daar waren de beeldhouwers in Europa rond 1150–1223 nog lang niet aan toe.

De Europese houtsnijders sneden veel later deze Röttgen piëta, een ijkpunt in de Westerse cultuurgeschiedenis.

In Europa domineren in Unkei’s tijd de romaanse Christus- en Mariabeelden die sterk op elkaar lijken. De beelden werden anoniem gesneden in werkplaatsen door ‘Meesters’. De sculpturen zijn vooral frontaal, streng gestileerd en gericht op symbolische helderheid. Emotie is ondergeschikt aan theologische betekenis. De maker verdwijnt achter het ambacht; de naam doet er niet toe. Dat Unkei’s naam wél werd overgeleverd, onderstreept zijn uitzonderlijke status als kunstenaar avant la lettre.

Ter vergelijking: neem de beroemde houten Röttgen piëta uit het begon van de 14e eeuw (ongeveer 1300-1325) dat nu in het Landesmuseum in Bonn staat. Het is een voorstelling waarin Maria ditmaal niet het ‘kindeke’ Jezus, maar haar aan het kruis gestorven volwassen zoon in de armen heeft. Het is een realistisch gesneden beeld, beschilderd en bedoeld om op het altaar te plaatsen, 87,5 centimeter hoog. Gelovigen kregen zo duidelijk de boodschap: lijd mee met Maria, haar pijn is ondraaglijk. De wonden van Christus zijn grotesk, als kogelgaten, aangezet met rode verf. De emotie ligt er dus dik bovenop, maar is weinig subtiel. Toch geldt dit werk als een hoogtepunt uit de Europese kunstgeschiedenis -en wordt zowaar vermeldt in de kunstbijbel ‘de Janson’s History of Art’, waar houtsnijkunst nauwelijks aandacht krijt – Unkei al helemaal niet.

Seshin, een andere levensechte priester, gesneden door Unkei.

Ook op het vlak van expressie is Unkei zijn tijd ver vooruit Waar in Europa pas vanaf de Renaissance serieus aandacht ontstaat voor individualiteit en psychologische gelaatsuitdrukking, experimenteert Unkei daar al volop mee. Zijn beelden tonen woede, concentratie, mededogen en vastberadenheid, niet als abstracte begrippen, maar als voelbare menselijke ervaringen. Het is opvallend hoe modern deze benadering aandoet.

Deze vergelijking maak ik zelf; ik heb er geen bestaande kunsthistorische bronnen voor kunnen vinden. Kunsthistorici vinden dit perspectief misschien niet interessant, of richten zich nog steeds te veel op de Westerse kunstgeschiedenis alleen. 

Japan was een gesloten wereld

Van uitwisseling van ideeën tussen Japan en Europa was in die tijd ook nog geen sprake. Japan was toen nog grotendeels een gesloten wereld. Japanse kunst lijkt in Europa pas rond 1900 te worden ontdekt, toen kunstenaars als Van Gogh en Gauguin oog kregen voor de verfijnde esthetiek van Japans drukwerk. Ze begonnen zelfs het beschilderde verpakkingspapier van Japanse goederen te verzamelen en schilderden het na. Een vroege vergelijking tussen Japan en Europese houtsnijders is dus onontgonnen terrein.

Wat voor mij wel vaststaat, is dat Unkei’s werk laat zien dat hout, in de handen van een meester, kan uitgroeien tot een drager van emotie, individualiteit en historische verandering. En 800 jaar later nog steeds een bron van inspiratie kan zijn, zoals voor de Japanse kunstenaar Katsura Funakoshi. Hij nam zelfs het idee over van Unkei die glazen ogen in zijn priesterbeelden monteerde. Funakoshi deed iets soortgelijks, met marmeren ogen. Het effect is hetzelfde: hun beelden lijken dwars door je heen te staren.

Jan Bom, 28 januari 2026