Boris Paval Conen en de lessen van meester-carvers uit Val Gardena. De Nederlandse houtsnijder volgde in dit Walhalla in Zuid-Tirol (Italië) de Summer Academy. Deze kans krijgen elk jaar niet meer dan 20 mensen, na een strenge selectie. Wat nam Conen van deze tien intense dagen mee naar huis, behalve een prachtig beeld van een vrouw in een cape met capuchon?

Boris Paval Conen en de lessen van meester-carvers uit Val Gardena: in tien dagen sneed hij de vrouw met de cape uit.
Van mij krijgt het beeld van Boris Paval Conen (1968) vijf van de vijf sterren. Heerlijk geurend staat het daar, in zijn atelier in hartje Amsterdam. De frisse lucht van Zirbelkiefer (Pinus cembra) hangt er nog omheen, de boomsoort die hoog in Dolomieten en Alpen groeit. Deze houtsoort werd de bron van een eeuwenoude en nog steeds springlevende houtsnijtraditie in Zuid-Tirol.
Hoe dat fijne gezichtje diep in de capuchon is verborgen, voor zich uit starend, op de grond. Die fijne vingertjes en teentjes. Zo levensecht. Een hiel die subtiel ietsje over de lange sokkel steekt. Hoe spannend de plooien van haar cape vallen, in hoeken. Er is iets in dit beeld dat magisch aanvoelt. Wat is dat?
Allemaal in hetzelfde dorpje geboren
Het had zomaar een werk van een van de vier meester-carvers uit Val Gardena kunnen zijn: Gehard, Aron en Peter Demetz en Hermann Josef Runggaldier. Namen die met hun figuratieve beelden doorbraken in het internationale kunstcircuit. En nog opvallender: allemaal afkomstig zijn uit een en hetzelfde dorpje St. Ulrich, oftewel Ortisei, gelegen in de vallei Val Gardena in Noord-Italië.
Je had zelf ook in Val Gardena geboren kunnen worden.
Conen: “Dat had ik niet erg gevonden. Zeker niet.”

Boris Paval Conen aan het werk in de eerste week van de Summer Academy in Val Gardena.
Onvoorbereid ging Conen er niet heen. Lang geleden deed hij twee seminars beeldhouden op de kunstacademie. “Maar dat was in de periode dat figuratief een vies woord was. Alles moest abstract. En ik had toen al een grote voorkeur voor figuratief werken. Dus ik merkte meteen al van: dat gaat het niet worden.”
Conen: “Toen ik later ook afgestudeerd was aan de Filmacademie ben ik zelf thuis gaan rommelen in steen. Ik heb in Italië marmercursussen gedaan, in Carrara en Pietrasanta. Het was een hobby, naast mijn werk als filmregisseur. Elke anderhalf, twee jaar maakte ik een beeld. Heb ik twintig jaar gedaan. Lekker iets voor jezelf. Als regisseur ben je een wandelend hoofd dat communiceert en delegeert. En dan mis je het werken met je handen.”
Van marmer naar hout
Een verhuizing naar Amsterdam dwong hem tot een keuze. Geen enkel atelier in de stad zou het accepteren, al dat stof en al die herrie van het werken in marmer, met pneumatische hamers en slijptollen. Boris stapte over op hout.
Met houtbewerking kun je ook nog aardig wat herrie maken.
Conen: “Er zitten hier elf kunstenaars in het pand. Die vonden het in het begin ook best spannend, dat er een beeldhouwer bij zou komen. Dus ik heb een dubbele zwevende vloer gemaakt die heel goed geïsoleerd is. En akoestische panelen aan de wand bevestigd. Nu is iedereen er heel tevreden over.”

In het atelier van Aron Demetz, onder begeleiding van soms meewerkende meester-carvers.
Sindsdien maakt hij beelden in hout, in een veel hoger tempo dan mogelijk is in marmer. Een eerste cursus houtsnijden volgde hij bij Bruno Walpoth, ook al geboren in Val Gardena. Iets van het introspectieve van deze kunstenaar nam hij in zijn eigen beeldtaal over. Ook zijn figuren zijn in zichzelf gekeerd, diep in gedachten.
Conen: “Walpoth leert je als het ware kijken met zijn ogen. Je duikt in iemands hoofd. Hij is ook extreem eerlijk in wat zijn onzekerheden zijn. Wat ik ook bijzonder vind. Maar bij Walpoth realiseerde ik me ook: wow, er valt nog heel veel te leren.”
Strenge selectie
Erkenning kwam. Een kunstgalerie vertegenwoordigt hem. In 2023 en 2025 werden beelden genomineerd voor de Nederlandse Portretprijs. Elk jaar exposities. En toen zag zijn vrouw een oproep om zich te melden voor de Summer Academy. “Dat kwam net goed uit. Een productie met danschoreograaf Jiri Kylian ging niet door. Ik had ineens een gat van een paar maanden in mijn filmwerk.”
De selectie van de Summer Academy is streng.
Conen: “Heel streng. Het is opgezet voor jonge mensen. Niet voor oudjes zoals ik. Dus ik was de oudste daar. Dat is ook best wel confronterend. Als je tussen al dat jonge, ambitieuze grut zit.”
Je ziet er helemaal niet oud uit.
“Nee, maar ik ben wel 58. En dan als de jongste deelnemer nog maar 18 jaar oud is…”
Ze hebben blijkbaar de kwaliteit in je werk herkend.
“Ja. En blijkbaar zagen ze ook nog de potentie dat ik nog wat zou kunnen leren.”
Vanuit een fascinatie
Wat wilde jij dan nog leren van deze master-carvers?
Conen: “Ik dacht wel eens: ik zou vrijer willen werken. Meer vanuit mijn fantasie, dan vanuit de fascinatie voor een houding die ik samen met een model onderzoek. Dat je het meer laat gaan over wat er in je hoofd zit, meer dan wat je ziet. Tegelijkertijd, wat ik het gevaar vind, als je gaat voor wat in je hoofd zit, wordt een beeld vaak heel ‘bedoelerig’. Dat je er een mening aan gaat hangen. Ik zou willen leren om beelden te maken vanuit de fascinatie voor een houding, een blik of een pose. Je kunt eerst zelf nog niet goed benoemen wat dat is. Dat zie je misschien pas als het beeld klaar is. Dat je dan pas weet wat het voor je betekent.”
Jullie moesten eerst een beeld in klei maken.
Conen: “Er zou een model zijn, maar dat was er niet. We moesten spontaan een eigen figuur bedenken en dat eerst tekenen. Dat was stressen, voor mij. Ik werk altijd vanuit modellen, die ik van vier verschillende kanten fotografeer. Ik was dus grote schetsen aan het maken.”
“En Aron zegt tegen mij: Boris, in plaats van dat je je meteen zo vastlegt in een grote schets, maak eerst eens doodle-poppetjes. Teken zonder het potlood van het papier te halen. En hij deed er een paar voor. Zo kun je heel snel zien: deze houding is meer wat ik wil.”
“Gehard attendeerde me bij het uitwerken in klei op het belang van de sokkel. Hij was zo gefrustreerd over de presentatie van zijn beelden in galeries, dat hij ervoor zorgt dat zijn beelden zelf al een sokkel hebben. Dat is in mijn beeld zelfs een thema geworden, want het meisje kijkt waar de sokkel eindigt.”
“En Peter zei: iedereen gaat hier racen om zo snel mogelijk een model te maken, om zo snel mogelijk te kunnen beginnen met hakken. Neem gewoon de tijd. Maar dan ben je dus al twee dagen kwijt en je denkt, Jezus, ik heb er maar tien. Maar die adviezen waren superwaardevol.”
Denken in vlakken
Dus je leert al doende.
Conen: “Waar ik heel veel van geleerd heb, zijn twee dingen. Eén is hun denken in vlakken. Zij zeggen bijvoorbeeld, jij hebt een mantel rond een figuur. Dat moet je zien als een cirkel. Dat betekent dat als je dan een plooi hebt, die nooit rond is. Het zijn altijd vlakken. Als je een ronde vorm hebt, dan is er niet gekozen. Dat is hun manier van denken. Terwijl werken in marmer wel heel erg van rondingen uitgaat. Zij noemen dat ‘worsten’ en ‘kerkklokken’. Die moet je in hout juist vermijden.”
“Je krijgt door die vlakken juist hoeken. Je voelt dat er een richting is. Die ineens stopt en een andere kant uitgaat. Dat maakt dat een beeld begint te werken. Er ontstaat spanning. Het is een stukje abstractie.”

Het beeld vanaf de achterzijde gezien, de handen op de rug.
Ik ontmoette Conen tweemaal, terwijl hij aan het werk was op de Summer Academy. De tweede keer, na het weekend, durfde ik hem nauwelijks aan te spreken, zo intens was hij bezig. Met een meetlat liep hij op en neer van zijn beeld naar een schriftje.
De reden van al dit meten? “Proporties. Proporties. Verdelen in proporties. Dat heb ik ook van ze geleerd. Normaal gesproken verdeel je een heel lichaam in achtste delen, want een lichaam is acht keer de lengte van een hoofd. Dat doen zij niet. Zij verdelen het in tienden. Dat is een andere manier van denken. Waarom is dat dan? Van haargrens tot de kin is een-tiende. En zo is het hele lichaam onderverdeeld. Van elleboog tot hand. Die hele methode is vastgelegd in een oud Duits boekje uit 1915: Die Verhältnislehre (und plastische Anatomie des menschlichen Körpers für die Kunstjünger) van C. de W. Antonio. De breedte van een hand: ook een-tiende. (Ten Head Rule/Croquis, jb)”
Breedste, vlakste guts
Een onverwachte les lag ook in de keuze van het gereedschap om mee te hakken. “Ik had de gewoonte om vooral hele ronde gutsen te nemen. Bij een ronde guts splijt het hout niet zo snel. Lekker makkelijk. Ik leerde nu: neem liever een veel grotere guts, die al bijna vlak is (een 2, jb), maar aan de randen wel rond is geslepen. De mannen zelf werken zelfs allemaal met een nog plattere en grotere guts (een 1, jb), zo plat dat het bijna een beitel is. Maar die zetten ze maar voor een deel in het hout. Als het ware pel je zo het hout eraf. Ik heb er ook een besteld, waar ik nog een handvat aan moet zetten. Kostte bijna honderd euro. Ontzettend duur. Die ga ik zeker uitproberen.”
Heb je fouten gemaakt tijdens het maakproces?
“Dat was heel confronterend. Peter had mij aan het einde van de eerste week gezegd: laat die benen nog even voor wat ze zijn. Concentreer je vooral op die poncho. Maar ja, je wilt weten wat je beeld is. Dus toen heb ik toch nog wat aan die benen gewerkt. Een dag erna zegt Peter: je hebt te veel weggehakt. En hij had gelijk. Ik had een voet een beetje naar binnen willen plaatsen. Dat kon niet meer, omdat de heup dan veel meer gedraaid zou staan. Ik had het hout niet meer om dat nog te kunnen maken. Ik moest het hele beeld in de ruimte gaan verplaatsen om dat verlies te compenseren. Alles moest een paar centimeter naar achter. Waardoor ik aan de achterkant weer een probleem kreeg. Ik moest de vingertoppen uitsnijden in het spinthout. Ik had letterlijk geen millimeter meer over.”
Vertrouwen op je ogen
En de geleerde les was?
“Peter zei op dag vier tegen mij: vandaag mag je nog rekenen, maar morgen moet je gaan vertrouwen op je ogen. Dat was lastig voor mij, ik werk altijd heel precies.”

Boris Paval Conen in zijn atelier in Amsterdam, met zijn leerstuk.
Je beeld was nog niet helemaal af, na die tien dagen. Heb je daarna nog met Val Gardena gebeld met vragen over de afwerking?
Conen: “Nee, ik voel me in de fase van afwerking zeker genoeg. De Summer Academy gaat vooral over constructie, het concept en de grove uitwerking. Maar dat fijnschuren en zo, dat vind ik ook niet zo heel boeiend.”
Je hebt het beeld niet afgewerkt met olie.
“Dat doe ik nooit. Als ik hier olie overheen doe, betekent dat dat het gezicht, lichaam en de sokkel allemaal dezelfde toon krijgen. Ik vind de kleurverschillen door houtbewerking boeiender.”
Heb je niet meer blokken van dit bijzondere hout mee naar huis genomen?
“Nee, Zirbe is niet een soort hout waarvan ik dacht: oké, daar wil nog veel meer beelden van maken. Al die knoesten. Ik heb veel gewerkt in gingko, wat lijkt op lindehout. Het kleurt alleen veel minder. Mijn favoriet is toch linde gebleven.”
Jan Bom, 26 augustus 2026.

