Welke beroemde kunstenaars ontdekten hun beeldtaal in hout? Het zijn er opvallend veel. Dat blijkt uit tientallen kunstenaarsbiografieën die de afgelopen jaren voor de website Wowwood.nl zijn geschreven. Het is een ontdekking die haaks staat op de onderwaardering van de houtsnijkunst.

Michelangelo was pas 18 jaar toen hij deze naakte Jezus aan het kruis uit lindehout sneed.
Wie denkt aan Michelangelo denkt aan marmer. Bij Henry Moore zie je enorme bronzen monumenten voor je. Antony Gormley roept beelden op van gietijzer en staal. En Karel Appel? Iedereen direct aan verf en schilderijen. Vanzelfsprekend.
Maar er is een opmerkelijke overeenkomst tussen deze kunstenaars, een optelsom die tot nu toe niet eerder is gemaakt.

Diana, een houten beeld van Ossip Zadkine.
Alle vier ontwikkelden zij hun beeldtaal in hout. En niet alleen zij. Ook Ossip Zadkine (1888 – 1967) deed dat, in Nederland vooral bekend van zijn bronzen oorlogsmonument ‘De Verwoeste Stad’ in Rotterdam. Maar Zadkine maakte in Parijs meer dan honderd houten beelden voordat hij zich op andere materialen richtte.

Hetzelfde geldt ook voor de Amerikaanse minimalist Carl Andre (1935 – 2024). Hij stapelde eerst bielsachtige blokken hout op elkaar, voordat hij stenen vloeren in een galerie legde. En niet te vergeten Paul Gauguin (1848 – 1903), die al in zijn eerste jaren als kunstenaar in Bretagne beelden en zelfs zijn eigen klompen sneed. Reden zelfs voor zijn huisbaas om hem de huur op te zeggen, zoveel luidruchtigheid. Dat was lang voordat hij in Frans-Polynesië zijn gereedschappen weer oppakte om daar primitief ogende bustes en reliefs mee te snijden.
Dit is geen toeval meer
En dat is geen toeval meer, zo blijkt. Wie de levenslopen van tal van beroemde kunstenaars vergelijkt, ontdekt een patroon dat verrassend consistent is. Hout was niet zomaar een materiaal waarmee zij in het begin van hun loopbaan experimenteerden. Het was het materiaal waarmee zij leerden kijken, voelen en vormgeven. Hun latere werk draagt daarvan de sporen.
Een van de vroegste meesterwerken van de nog pas achttienjarige Michelangelo Buonarroti (1475 – 1564), een crucifix, sneed hij uit lindenhout. Kunstkenners prijzen de perfectie van de jeugdige anatomie van deze Christus, hangend in de basiliek Santo Spirito in Florence. Michelangelo had zijn modellen min of meer naast zijn slaapkamer liggen: hij bestudeerde zieken in de ziekenzaal, maar ook lijken die in de basiliek wachtten op hun begrafenis.

Zittend figuur, een oerbeeld in iepenhout van Henry Moore, dat mede zijn stijl bepaalde.
Eeuwen later ontwikkelde Henry Moore (1898 – 1986) in Groot-Brittannië zijn ideeën over abstracte vormen terwijl hij in iepenhout sneed. Hij had de holtes nodig om te voorkomen dat het natte hout bij droging zou gaan splijten. Zijn tijdgenote Barbara Hepworth (1903 – 1975) ontdekte op haar beurt in hoe zij de stenen die zij langs de Britse kust vond organisch in hout kon vormgeven.
De lijst is veel langer. Constantin Brâncuși (1876 – 1957) hakte in Parijs de oerversie van zijn beroemde Endless Column uit in eikenhout.
Zelfs Karel Appel
In Nederland assembleerde Karel Appel (1921 – 2006) zijn eerste sculpturen, zoals ‘De Windmolen’, met sloophout. Ook uit armoede, pal na de Tweede Wereldoorlog, brak hij zelfs delen van zijn zolderkamertje in Amsterdam uit. Appel beschilderde de constructie vervolgens in de felle onvermengde kleuren waarmee hij wereldberoemd werd. Het Stedelijk Museum in Amsterdam laat het beeld graag zien, bij het presenteren van de naoorlogse collectie.

Penone goot later complete bomen in brons, maar hout is zijn eerste en laatste liefde.
En Giuseppe Penone (1947) in Italië dan, het jongste lid van de Arte Povera-groep. Hij beschouwt hout nog altijd als een ‘levend geheugen’. Penone haalde in zijn vroegste werken ‘de jongste versie van de boom’ weer tevoorschijn, door een dikke boomstam uit te hollen, op de eerste jaarringen na. In die holle stam, waar hij zelf in kon kruipen, bleek een dun iel kleiner boompje verscholen te zitten. Later goot hij zelfs hele bomen in brons, om ze omgekeerd op pleinen en in parken tentoon te stellen.
Ook weer in Engeland werkte Antony Gormley (1950) aan het begin van zijn carrière uitsluitend met boomstammen, waarbij hij op bijna wetenschappelijke wijze de jaarringen ontleedde.
Hoe Picasso tot het kubisme kwam
Zelfs Pablo Picasso (1881 – 1973) ontdekte in het houtsnijden een nieuwe manier van kijken, ook al was dat niet aan het begin van zijn stormachtige carrière. De Spanjaard liet zich in zijn ‘Afrikaanse periode’ inspireren door Afrikaanse maskers en sculpturen, voorbeelden die hij zelf ook ruw en primitief uithakte. Niet lang daarna ontstonden zijn eerste kubistische werken, waarin hij driedimensionale beelden op een plat vlak presenteerde, in vele bruine tonen verf. Die schilderijen voelden nog steeds heel Afrikaans aan. Op het schilderij ‘Les Demoisselles d’Avignon’ zijn zelfs duidelijk Afrikaanse maskers te herkennen, die uiteraard gesneden waren uit hout.
Waarom juist hout?
Het antwoord ligt waarschijnlijk in de unieke eigenschappen van het materiaal verscholen. Hout is eerst levend geweest. Elke nerf vertelt het verhaal van tientallen of zelfs honderden jaren groei, droogte, zelfs van spanningen en aanvallen van insecten en dieren. Geen houtsoort is hetzelfde. Niet qua sterkte en ook niet qua structuur. Een beeldhouwer werkt daarom niet tégen het materiaal, maar mét het materiaal.
Dat vraagt een andere houding dan bijvoorbeeld het werken in klei, waarin elke vorm mogelijk is. Hout dwingt tot aandacht, rust, nadenken. Een verkeerde slag met de guts kan niet worden hersteld. Een neus die in haast is afgehakt is definitief verdwenen. Lijmen is een zwaktebod en lelijk. Anders dan klei laat hout zich niet corrigeren. Juist die weerstand dwong kunstenaars hun vormtaal scherp te ontwikkelen.

Ellsworth Kelly zag Chinese landschapsschilderijen in het sapelehout van een van zijn Totems.
Tegelijkertijd biedt de natuurlijke structuur van hout onverwachte mogelijkheden. Het is een gedachte die op de website Wowwood.nl is uitgewerkt in het begrip Dendroïsme: het idee dat de structuur van hout zelf een verhaal kan dragen.
Steeds meer kunstenaars ontdekken juist in die houtpatronen en knoesten een extra dimensie. Dat gold zelfs al voor een van de meest abstracte kunstenaars die ooit leefden: Ellsworth Kelly (1923 – 2015). In het sapele hout van een van zijn houten totems zag hij Chinese landschapsschilderijen; rivieren, bergen, valleien. (Voor Kelly was hout overigens niet het startpunt van zijn schilderloopbaan).

Een detail van de eikenhouten versie van de Kolom van Oneindigheid van Brâncuși.
Opvallend is dat veel kunstenaars het hout al achter zich hadden gelaten voordat zij als kunstenaar beroemd werden. Niet omdat zij het ontgroeid waren, maar omdat zij de ontdekkingen die zij in hout hadden gedaan hadden vertaald naar andere materialen. Maar de organische spanning van Moore bleef zichtbaar in zijn bronzen beelden. De verticale ritmiek van Brâncuși’s ‘Kolom van Oneindigheid’ bleef dezelfde. Ook in de gietijzeren versie van bijna dertig meter hoogte die in zijn geboorteland Roemenië in de hemel prikt.
Hun eerste liefde
Hun eerste liefde bleef herkenbaar in hun latere werk. Maar opvallend genoeg kreeg het niet de plaats in hun oeuvre die het verdiende. Wat heel vreemd is. Hoe kan een kunsthistoricus of curator een compleet beeld van een kunstenaar schetsen, zonder de vroegste materiële bronnen van inspiratie te analyseren en te benoemen?
Hout wordt vaak weggezet als een te traditioneel of te ambachtelijk materiaal. Om die reden wordt erop neergekeken. Want: het hoogtepunt van de houtsnijkunst lag toch al eeuwen geleden, in de tijden van de Middeleeuwse werkplaatsen van anonieme Meesters? En dan is er ook nog het andere vooroordeel: het zijn vandaag toch vooral gepensioneerde dames en heren die in hun schuurtje nog een beetje aan een stuk boomstam staan te prutsen, om hun publiek te vervelen met hun zoveelste uiltje?
Hardnekkige vooroordelen
Het zijn hardnekkige vooroordelen. Uit de reeks biografieën op de website Wowwood blijkt dat het tegenovergestelde waar is. Hout is steeds opnieuw het vertrekpunt van artistieke vernieuwing geweest. Dat was al zo toen Michelangelo overstapte op marmer om in zijn ‘David’ opnieuw zijn geniaal vormgegeven spiermassa’s uit te hakken. En het was nog steeds zo voor een nog levende kunstenaar als Gormley, in Nederland vooral bekend om zijn enorme ‘poepende man’ voor de haven van Lelystad.
Dat maakt een eenvoudige vraag verrassend actueel. Welke beroemde kunstenaars ontdekten hun beeldtaal in hout? Het zijn er veel meer dan tot nu toe gedacht werd.

De Maria Magdalena van Donatello was zeker niet het einde van de houtsnijkunst.
Als zoveel grote kunstenaars hun artistieke stem vonden in hout, waarom krijgt de houtsnijkunst dan nog altijd zo weinig aandacht in de kunstgeschiedenis? Een Amerikaanse ‘kunstbijbel’ als de Janson’s stopt de aandacht voor ‘carving’ in de laatste editie al rond het jaar 1440, bij de houten Maria Magdalena van Donatello (1386 – 1466). Een meesterwerk, maar dus niet het laatste belangrijke werk dat op deze wereld uit hout is gesneden. Zelfs wanneer de hedendaagse Amerikaanse houtkunstenaar Martin Puryear (1941) wordt genoemd, toont of beschrijft de Janson’s niet zijn meesterlijke houten ‘Ladder for Booker T. Washington’, toch een monument voor de emancipatie van zwarte Amerikanen.
Er is sprake van een blinde vlek in de formele kunstgeschiedenis. Terwijl musea terecht nieuwe verhalen toevoegen over vrouwelijke kunstenaars en niet-westerse kunst, blijft een ander verhaal volkomen onderbelicht: het verhaal van het materiaal zelf. De boom als eerste leermeester van de kunstenaar.
De boom als leermeester
De urgentie voor heroriëntatie is er zeker, ook in maatschappelijk opzicht. De wereld zucht onder de gevolgen van opwarming en voortdurende klimaatrampen; bosbranden, hevige tropische stormen, overstromingen, stijging van de zeespiegel. Bomen zijn een deel van de oplossing, als de grootste ‘CO2-vreters’ op deze planeet. Tijdens hun groei slaan zij het broeikasgas ook nog eens op in hun hout.

Een Amerikaanse kunstenaar als Martin Puryear gebruikte hout als materiaal voor zijn monument voor zwarte Amerikanen.
Kunstenaars vertalen deze herwaardering voor de natuur in hun werk. In galeries komen de laatste jaren steeds meer beelden te staan van kunstenaars die zelfs helemaal niets meer aan takken of boomstammen veranderen. Hooguit door ze in een patroon te leggen, zoals landschapskunstenaar Richard Long (1945) deed met zijn houten cirkels. Aan de vorm van de boomstronken hoefde hij niets meer te veranderen: de natuur zelf is de perfecte vormgever.
Het is daarom tijd om de laatste zeshonderd jaar geschiedenis van de beeldhouwkunst opnieuw te vertellen, vanaf het begin van de renaissance tot vandaag. Niet vanuit brons, marmer, kunststoffen, of concept, maar vanuit het materiaal waarin zoveel kunstenaars hun vormentaal vonden: het hout van bomen.
Jan Bom, 24 augustus 2026

