Gibbons had het van Quellinus

Gibbons had het van Quellinus. De barokke stijl. De uitbundige guirlandes vol vruchten en bloemen. De muziekinstrumenten. Alleen kon Gibbons op zijn viool in lindenhout wél snaren snijden. Dat kreeg de Vlaamse meester van het Paleis op de Dam in marmer niet voor elkaar.

De viool in marmer van Artus Quellinus had geen snaren. Dat kreeg Grinling Gibbons in hout wel voor elkaar.

Wikipedia is er heel stellig over. De in Rotterdam geboren Grinling Gibbons (1648-1721) was een leerling van de in Antwerpen geboren beeldhouwer Quellinus. Ook tijdens zijn jarenlange werkzaamheden aan wat nu het Paleis op de Dam is, maar eerst functioneerde als stadhuis van de hoofdstad. 

Artus Quellinus (1609–1668) was de belangrijkste beeldhouwer van de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw. Zijn monumentale decoratieprogramma voor het Amsterdamse stadhuis (het huidige Paleis op de Dam) werd een Europees voorbeeld van de barokke beeldhouwkunst. Grinling Gibbons (1648–1721), die vermoedelijk in Rotterdam werd geboren uit Engelse ouders, groeide op in een omgeving waarin Quellinus’ invloed alomtegenwoordig was.

De vraag is dus niet of Gibbons Quellinus kende, maar hoeveel hij aan hem ontleende.


Gibbons had het van Quellinus

Er zijn verschillende duidelijke overeenkomsten tussen het werk van Quellinus en Gibbons. Beide kunstenaars gebruikten rijke festoenen van vruchten, bloemen en bladeren als architectonische versiering. Die van Quellinus waren het voorbeeld voor Gibbons dat hij meenam naar Groot-Brittannië. Daar vond hij zijn opdrachtgevers in kerkbesturen en rijke Britten.

Beiden streefden naar een uitzonderlijk natuurgetrouwe weergave van hun ornamenten, die los over de architectuur lijken te hangen, alsof ze zojuist zijn opgehangen. Beiden vormden beeldhouwkunst en architectuur tot één geheel.

Maar minstens zo belangrijk zijn de verschillen.

Quellinus werkte vooral in marmer. Zijn ornamenten maken deel uit van een streng klassiek architectonisch systeem. De menselijke figuur staat centraal; de guirlandes ondersteunen de allegorieën en monumentale composities.

Detaillering in lindehout

Gibbons koos juist voor lindehout, waardoor hij een veel fijnere detaillering kon bereiken. Zijn beroemde cascades van bloemen, schelpen, muziekinstrumenten, vogels en wild lijken bijna gewichtloos. Ze hangen vaak vóór de muur, waardoor een spectaculair schaduweffect ontstaat. Bij Gibbons wordt het ornament zelf het hoofdonderwerp.

Gibbons nam Quellinus’ barokke voorbeelden dus wel over, maar ontwikkelde deze verder omdat het lindehout een veel fijnere detaillering bood. Zo sneed Gibbons bloemen op lange stelen die bewogen in de wind. Zijn werk neigt zelfs naar de kunsten van een illusionist: hoe krijgt hij het voor elkaar om zijn ornamenten zo diep te ondersnijden dat bloemen en bladeren soms slechts op enkele millimeters hout rusten? En al die lagen met ornamenten over elkaar heen laten zweven? Hoe kan het dat hij een werk met doperwten in een nog gesloten peul oplevert, om die pas open te snijden na betaling van de rekening? 

Maar imitatie is het niet

Die technische virtuositeit heeft nauwelijks een equivalent bij Quellinus. De gesneden vioolsnaren zijn daarvan nog het mooiste voorbeeld. In marmer zouden zulke ragfijne verbindingen direct breken; in lindehout konden ze wonderwel blijven staan.

Daarom durf ik de stelling zeker aan dat Gibbons het van Quellinus had. Maar imitatie is het ook weer niet. Kunsthistorici zouden het houden op ‘invloed’, ‘navolging’ of ‘artistieke erfenis’.

Jan Bom, 21 juli 2026